In het kort

  • Gestart in 2015 
  • Initiatief van priester Daniel Alliët 
  • In de Begijnhofkerk in Brussel 
  • Voor thuisloze alleenstaande moeders met jonge kinderen  
  • Eenvoudige tijdelijke huisvesting  
  • Ondersteuning van activiteiten die uitzicht bieden op een menswaardig bestaan 
  • Ondersteuning om cursussen te volgen 

Een beetje geschiedenis

“In 1974 kondigde de Belgische regering een algemene migratiestop aan. Maar rond 1986 kwam een nieuwe migratiestroom richting ons land. De mensen kwamen als politiek vluchteling. Maar 10% van hen werd erkend. België werd overstroomd door mensen zonder papieren. Daarvan keerden er 40% terug, nog eens 40% probeerde het nog een keer in een ander land, en de overige 20% bleef hier hangen. Dat was de toestand zo’n 35 jaar geleden. De mensen starten met kerkbezettingen. Dat was ook het ogenblik dat ik naar Brussel kwam. Ik kende het woord ‘sans-papiers’ nog niet toen ik hier toekwam. Hier ging ik leven tussen de kansarmen, in een afgeleefd kot.” Aan het woord is priester Daniel Alliët. 

“Hoe dat zo is gekomen? Wel, ik heb altijd een leven vol zin gehad. Ik was 8 maanden oud, het negende kind was op komst, toen mijn vader stierf. Mijn moeder heeft steeds haar plan getrokken. We hadden een klein boerderijtje. Dat is de zin van ’t leven. Ik ben dan priester geworden. Mijn broers en zussen deden ook zinnige dingen: één zus werd opvoedster van geplaatste kinderen in Congo, één broer werd directeur van ’t regentaat in Torhout, een andere broer werd priester in Zuid-Afrika. Ik ging studeren, doctoreren en werd gevraagd om professor te worden in het seminarie. Ik had andere plannen, maar heb het dan toch maar aanvaard. Daarna ben ik 9 jaar directeur geweest van Caritas West-Vlaanderen. En daarna moest ik de keuze maken: ‘Ga ik me inzetten voor de derde of de vierde wereld?’. Ik ben hier gebleven. En plotseling kwamen die vluchtelingen. Ik wilde aan de basis werken met mensen.  

Ik kreeg maar één kerk toegewezen – ik werd verantwoordelijk voor de Nederlandstalige pastoraal van de Begijnhofkerk in Brussel – want de bisschop aanvaardde dat ik vooral met de mensen in armoede wilde werken. Daarmee kreeg ik wat vrijheid om projecten op te starten. 

Ik richtte in 2015 de feitelijke vereniging ‘BegijnhofVrienden’ op. Met dit initiatief bieden we hulp aan de meest kwetsbare groep van migranten en vluchtelingen in Vlaanderen, namelijk alleenstaande moeders met kinderen die letterlijk op straat staan. We willen moeders in hun erkenningsprocedure huisvesting geven, een springplank, een kans om te kunnen ‘zien’. Zit je met je hoofd in de stront, dan denk je als vluchteling niet aan terugkeren.” 

Dagelijkse werking

Tot op vandaag loopt dit project van steun aan deze moeders en hun kinderen. Zij hebben vaak trauma’s te verwerken, en staan daarnaast in voor het welzijn, de scholing en de opvang van hun kinderen. Ze moeten zich bevragen hoe ze zelf hun leven hier weer opbouwen, of eventueel terugkeren naar hun land. Om hun toekomst te kunnen heroriënteren hebben ze vaak enige tijd nodig. Dit lukt niet zomaar in enkele tellen en zonder dak boven hun hoofd. 

Met project ‘Time-out’, biedt BegijnhofVrienden hen een tijdelijk onderdak en sociaal-juridische begeleiding, in samenwerking met vzw Pigment en Meeting, De Foyer vzw en Caritas Hulpbetoon. Vier appartementen worden daartoe verhuurd aan de gezinnen die er het meest nood aan hebben. 

“Wij kunnen de vluchtelingenproblematiek niet oplossen, maar we hebben recht van spreken. We zijn geen vzw, wel een feitelijke vereniging. We huren vier appartementen. Als de vluchtelingen financieel wat kunnen bijbrengen, dan wordt dat ook van hen verwacht. We berusten op het vertrouwen. We betalen de huur en de lasten. Ik woon zelf in een gemeenschapshuis. Ik heb een appartement met drie kamers voor moeders met kinderen. En bij vrijwilliger Marieke, die een opleiding tot parochiaal werker volgt en in het parochiehuis woont, zijn er ook vijf kamers, waarvan er drie momenteel zijn ingenomen door moeders met kinderen.  

We betrachten dat elkeen professioneel wordt ondersteund: het CAW volgt de dossiers van de mensen op. We werken daarnaast met een buddysysteem: ik ben buddy voor de mensen in mijn appartement. Nog andere buddy's komen langs voor sociaal contact en voor het wegwijzen: ‘Waar kan je kleding bekomen?’, ‘Waar wordt er voedselbedeling georganiseerd?’.  

We kunnen rekenen op vrijwilligers. Zo is er de bovenbuurvrouw, een gepensioneerde dame. Wanneer Lana*, een vrouw met twee kinderen, na twee jaar nog steeds geen erkenning op zak had, nam de bovenbuurvrouw haar in haar appartement op, totdat ze iets anders vond. Dat heeft nog twee jaar geduurd. Nu is Lana erkend, haar dossier is in orde, en huurt ze een sociale woning. 

De meerderheid van de mensen vlucht niet louter vanuit de zoektocht naar een beter leven. Er schuilen vaak meerdere andere problematieken achter. Die moeten de overheden ook beluisteren. Die multiproblematiek kan zijn: een onhoudbare thuissituatie, een oorlogssituatie, om economische redenen, … . Om zich te kunnen heroriënteren, moeten ze eerst rust vinden. We organiseren daarom lessen ‘Gezinsheroriëntatie’, een cursus van drie dagen: de eerste dag draait om de vraag ‘Waarom ben je naar hier gekomen?’, vervolgens ‘Je bent nu hier, wat vind je van je actuele situatie?’ en ten slotte ‘Hoe zie je de toekomst?’. 

In de erkenningsprocedure zitten vaak tal van obstructies. Mensen worden eerst bv. na zes maanden opgeroepen, krijgen dan zes maand uitstel. Dat loopt tot gemiddeld zo’n twee jaar vooraleer ze weten waar ze aan toe zijn. In Rotterdam verloopt het anders. Daar hebben ze huizen waar ze de mensen van de straat opvangen. In de huizen worden de daklozen begeleid door maatschappelijk werkers en juristen. Dat werkt: ongeveer 90% vraagt ofwel erkenning aan of keert vrijwillig terug naar zijn/haar land van herkomst. Rotterdam doet in het groots wat wij in het klein doen.  

Ik breng de mensen in contact met een advocaat van de Foyer. In sommige gevallen raad ik hen aan: ‘Neem geen advocaat, want je maakt geen schijn van kans’. Dan maak ik hen de mogelijkheid van vrijwillige terugkeer duidelijk. Het moeilijke is ook dat ik mensen die hier soms twee jaar hebben verbleven, moet ontgoochelen: ‘je maakt geen kans meer om hier ooit nog erkend te worden’. Dan moet ik, ja, ‘plaats maken’ voor andere vluchtelingen die ik zou kunnen helpen in hun procedure. 

De projectsteun van Caritas Hulpbetoon helpt in principe om de huur van de appartementen te betalen zodat andere middelen vrijkomen voor andere dringende noden. Zo was er hier bijvoorbeeld Injes*, een vrouw met middelbare scholieren. Wij hebben haar in contact gebracht met een goede advocaat, ze is ondertussen erkend. Injes had de school een dag te laat ingelicht dat ze de schoolreis niet kon betalen. De school stuurde een deurwaarder. Het OCMW lost zoiets niet op. Een kind zonder papieren heeft recht op onderwijs, maar een schoolreis, daar komen ze niet in tussen. 

We doen ook aan belangenbehartiging: we ijveren ervoor dat de mensen een regeling zouden kunnen krijgen om bij tandpijn kosteloos een tandarts te mogen raadplegen. En dat er voor kinderen die wel het recht hebben om naar school te gaan, ook zou worden meegedragen in de kosten om naar school te kunnen gaan.  

Met Covid-19 is de situatie van de mensen nog hachelijker: de voedselhulp ligt lam, de maatschappelijk werkers zijn moeilijk bereikbaar, … Ik sta te kijken van de moed die de mensen hebben. Ik word begeesterd door vrijwilligers, zoals advocaten van de Foyer, die tot het uiterste willen gaan voor een eerlijke vluchteling.” 

Caritas Hulpbetoon ondersteunt dit project.

Priester Daniël Alliët startte in maart 2020 met een nieuw project ‘House of Compassion'.

Getuigenissen

“Jose*, een Angolese man met vier kinderen, werd niet erkend als politiek vluchteling. Hij dook onder, zodat zijn kinderen erkend konden worden als niet-begeleide minderjarige vluchtelingen. Soms ontmoetten ze elkaar in het geheim. Na tien jaar besefte Jose dat hij nooit ‘iemand’ zou zijn hier. Het statuut van bedelaar ontneemt elke persoon zijn waardigheid. In Angola was hij ondernemer, daar betekende hij iets. Hij wilde terugkeren, en ging ervan uit dat zijn kinderen met hem zouden meegaan. Maar zijn kinderen voelden zich ondertussen meer Belg dan Angolees en wilden blijven. Uiteindelijk is Jose alleen teruggekeerd naar Angola. 

We kennen hier Yoweri* uit Oeganda. Deze vader is hier met zijn 2 kinderen. Hij was erg ziek en dat bleek bloedkanker te zijn. Hij werd hier na anderhalf jaar erkend voor één jaar. Als de ziekte door de behandeling stabiliseert, moet de erkenning opnieuw worden geëvalueerd: mogelijk moet hij dan de behandeling in zijn land van herkomst verderzetten. 

Mauria* uit Kameroen heeft een kind met Peter*, een Belg. Ze is na twee jaar erkend en heeft nu een inkomen. Als een vrouw zonder papieren een kind krijgt met een Belgische vader, en de vader erkent het kind, dan krijg het kind de Belgische nationaliteit en de moeder ook, via het kind. Soms gebeurt het dat een man een kind van een vluchtelinge erkent tegen betaling. Er was zo in Antwerpen zo’n ‘vader’ van 15 kinderen. Nu gebeurt er meer onderzoek of de relatie reëel is. Dat gaat soms met een DNA-onderzoek, steeds ook met een enquête. De mensen moeten bewijzen kunnen voorleggen, zoals brieven en foto’s. Bij mij wonen er momenteel 3 vrouwen, uit Kameroen en Guinee. Elk van hen heeft hier iemand leren kennen en kreeg er later een kind mee. Er is bij hen gecontroleerd of er van een reële relatie sprake was. Ik ontmoet hier ook regelmatig een vader. 

Safiya* komt uit een land in oorlog. Haar echtgenoot zei haar dat zij als eerste moest vluchten en dat hij haar achterna zou komen. Achteraf bleek dat ze weg moest, omdat hij de meid zwanger had gemaakt. Safiya woonde drie jaar bij mij in afwachting van een mogelijke erkenning. Uiteindelijk heeft ze hier in België tien jaar zonder papieren verbleven. Ze leerde hier een man kennen en samen kregen ze drie kinderen. Ze is om die reden uiteindelijk toch nog erkend. 

Malina* was een vrouw uit Gambia. Eén kind had ze meegenomen naar hier, haar andere drie kinderen had ze er achtergelaten. Een vriendin van Malina die hier erkend was, vertelde over haar mooie woning en haar beroep als ondernemer. Zij haalde Malina over om ook naar hier te komen. Maar eenmaal hier, bleek het mooie verhaal dat ze had opgehangen bedrog en bovendien ving de vriendin Malina niet op. Na twee maanden hier in België redeneerde Malina zeer rationeel: een erkenning was zeer onwaarschijnlijk. Ik hoorde haar aan telefoon met haar kinderen, wenend omdat ze elkaar misten. In Gambia was ze een gerespecteerde vrouw. Na vier maanden is ze teruggekeerd.  

Er was hier ook een vrouw uit Guinee, Imane*, die op 14-jarige leeftijd was uitgehuwelijkt aan een man waar ze niet van hield. Ze kreeg een kind van hem. Toen de man een paar jaar later stierf, werd ze gedwongen te trouwen met zijn broer. Ze liep weg van huis en vond een liefdevolle relatie. Haar familie beschuldigde haar van slecht moederschap en overspel, en nam haar haar kind af. Ze was op dat ogenblik zwanger van haar vriend en vluchtte naar hier. Ze verbleef hier bij mij, maar na 2,5 jaar moest ik toegeven dat ze waarschijnlijk nooit zou erkend worden en zochten we naar een oplossing. Maar net op ’t laatst werd ze dan toch erkend, omdat haar tweede ‘onwettige’ kind haar in haar land van afkomst ook zou worden ontnomen. Ze mocht intrekken in het sociaal appartement hiernaast. Nu volgt ze Nederlandse les en een opleiding. Ze is woordvoerster van het Comité des Sans-papiers…. Ik had het niet meer gedacht. 

De Sri Lankaanse Dinja* had twee kinderen. Zij was hindoe, haar man christen. Christenen waren niet goed gezien in Sri Lanka. Dinja beweerde dat ze er in een centrum van het Rode Kruis was geweest en dat zij, haar man niet, van daaruit was kunnen vluchten. Haar jongste was twee maanden, haar ander kind drie jaar, toen ze hier bij mij kwam. Haar verhaal werd hier niet geloofd en na twee jaar was ze nog niet erkend. Ze kon dan verblijven in een appartement in verbouwing met hulp van enkele mensen. Na vijf jaar hier in België ging ze naar de juridische dienst van de Foyer en vroeg er of ze haar niet konden helpen om de procedure te heropenen, ‘want ze moesten haar geloven’. De advocaat daar wist dat het Rode Kruis om de vijf jaar al zijn gegevens verzamelde op microfiches in Genève. Hij heeft naar daar geschreven en zo is uitgekomen dat Dinja er inderdaad had verbleven. Nu ze haar vluchtverhaal kon bewijzen, werd ze erkend.” 

* Fictieve naam

In de pers

Kerknet: Huisvesting voor moeders op de vlucht

Time Out

Contactinformatie Time-out

Begijnhofkerk
Begijnhof 2062
1000 Brussel
Google maps
T: 0032 (0)2 411 62 56
alliet.d@skynet.be
contactpersoon: Daniel Alliët