Pieter Houbey is de ondervoorzitter van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen (CTRG). We spraken hem over het gevangeniswezen in België.

Dag meneer Houbey. Kunt u uzelf kort even voorstellen?

Ik ben Pieter Houbey, ondervoorzitter van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen (CTRG). Die raad houdt als onafhankelijk rechtsorgaan toezicht op de Belgische gevangenissen en de bejegening van de gedetineerden. We gaan na in welke mate de rechten en de menselijke waardigheid van gedetineerden worden gerespecteerd.

We doen dat op centraal niveau door jaarlijks een aantal toezicht bezoeken te houden: we spreken met directie, personeel, gedetineerden en externe diensten, controleren verblijfsomstandigheden, medische zorg, veiligheid en activiteiten. Parallel werkt in elke gevangenis een commissie van toezicht: geëngageerde burgers die wekelijks langsgaan, klachten behandelen en een rechtstreeks aanspreekpunt zijn voor gedetineerden. Daarnaast adviseren we de Kamer van Volksvertegenwoordigers over detentieomstandigheden, strafuitvoering en het intensievere beleid. En de meest belangrijke pijler van onze werking is onze rapportage: we publiceren jaarlijks een uitgebreid jaarverslag en brengen ook tussentijds rapporten uit over de toestand in de gevangenissen.

Wat ziet de CTRG op dit moment als de grootste uitdaging voor het welzijn van gedetineerden in België?

De overbevolking overschaduwt het hele gevangeniswezen. Ze drukt op de werksfeer, de infrastructuur en de zorg. Daarbij komt een acuut personeelstekort – niet enkel bij beambten maar ook bij zorg‐ en psychosociale diensten. Ten slotte is een groot deel van onze gebouwen verouderd en dus ontoereikend voor hedendaagse detentienormen. Samen zorgen die drie factoren voor een neerwaartse spiraal: hoe voller de gevangenis, hoe meer personeel uitvalt, hoe langer gevangenen op cel moeten blijven, hoe voller de gevangenis, hoe meer personeel uitvalt en hoe moeilijker je zinvolle activiteiten of therapie organiseert.

In hoeverre voldoen Belgische gevangenissen nog aan internationale normen voor humane detentie?

De Raad van Europa beschouwt 90 % bezetting als de bovengrens om menswaardige condities veilig te stellen. België zit daar ver boven. Daardoor ontstaat dubbel‐ en soms driedubbelbezetting, komen gedetineerden vaak 22 uur per dag niet uit hun cel en is er te weinig ruimte voor onderwijs, werk of behandeling. Personeel moet intussen improviseren om basisveiligheid te garanderen. Dat alles maakt ‘humane detentie’ een voortdurend gevecht.

Hoe groot is de overbevolking precies?

Momenteel bedraagt de officiële overbevolking zo’n 17%. Er zijn meer dan 13.000 gedetineerden terwijl er slechts plaats is voor iets meer dan 11.000. Maar daarbovenop zijn er nog eens 700 mensen in verlengd penitentiair verlof, en ongeveer 3.000 veroordeelden die wachten op effectieve opsluiting. Alles samen spreken we over een potentiële bevolkingsdruk van 55% boven de capaciteit. Doorgaans is de overbevolking groter in de arresthuizen dan in de strafhuizen. De situatie is het ergst in arresthuizen zoals Gent of Antwerpen.

Voor een buitenstaander: wat is een arresthuis en wat een strafhuis?

Een arresthuis vangt beklaagden op in voorlopige hechtenis, dus mensen die nog geen vonnis hebben. Een strafhuis is bedoeld voor veroordeelden. In theorie hou je die populaties gescheiden, maar door de overbevolking worden ze ingeweven: veroordeelden belanden in arresthuizen, geïnterneerden in strafhuizen, enzovoort. Dat mengt profielen die eigenlijk een heel andere aanpak vergen.

Waarom is er zo’n nijpend personeelstekort?

Het gaat om een combinatie van factoren. De arbeidsmarkt is algemeen krap, maar werkomstandigheden in een overbevolkte gevangenis met verouderde infrastructuur en regelmatig geweld maken de job minder aantrekkelijk. Het ziekteverzuim is hoog; het Rekenhof sprak over gemiddeld tien beambten per gevangenis die tijdelijk uitvallen na geweldincidenten. Jonge aanwervingen stromen vaak snel door naar veiligere of beter gepercipieerde functies, bijvoorbeeld bij de douane.

Welke oplossingen stelt de CTRG voor op personeelsvlak?

Onze aanbevelingen hebben vooral betrekking op betere opleidingen en begeleiding voor personeel, wat kan bijdragen aan het behoud. Maar ook de algemene detentieomstandigheden moeten verbeteren. Menswaardigheid geldt immers niet enkel voor gedetineerden, maar ook voor wie er werkt.

Welke toegang hebben gedetineerden tot psychologische en medische zorg?

De basiswet eist zorg die gelijkwaardig is aan die buiten de muren, maar de praktijk blijft achter. Er is gebrek aan personeel, aan middelen en aan infrastructuur. Gebrek aan artsen, psychologen en consultatieruimte leidt tot consulten van vijf minuten.

Geïnterneerden krijgen het minst passende hulp: een gevangenis is geen psychiatrisch centrum, en België is herhaaldelijk veroordeeld omdat hun rechten op gespecialiseerde zorg geschonden zijn. Een geïnterneerde is ‘geestesziek’ bevonden. Hij/zij heeft vanuit die problematiek misdrijven gepleegd en krijgt beveiligingsmaatregelen opgelegd, maar daar zijn normaal ook zorgmaatregelen aan gekoppeld. De geïnterneerde kan pas vrijkomen wanneer zijn/haar geestestoestand voldoende is verbeterd. In de gevangenissen zitten zij eigenlijk in een paradoxale situatie, omdat ze onvoldoende toegang hebben tot gespecialiseerde hulp, waardoor ze eigenlijk geen significante stappen kunnen zetten om hun geestestoestand te verbeteren. Dat is vaak een schrijnende toestand. We zijn dan ook al vaak veroordeeld geweest door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, omdat geïnterneerden in de gevangenissen onvoldoende toegang hebben tot de zorg waar ze recht op hebben.

Zijn er andere groepen die extra kwetsbaar zijn?

De hele gedetineerdenpopulatie is kwetsbaar. Ongeveer 50% kampt met psychische problemen, en 80% had er ooit mee te maken. De gemiddelde mens in de vrije samenleving gaat 2 à 3 keer per jaar op consultatie bij de dokter. Bij gedetineerden ligt dat aantal rond de 25 consultaties. Hun gezondheidstoestand was dus al precairder vóór de detentie en ik denk niet dat detentie bijdraagt aan een verbetering van die toestand.

Ook vrouwelijke gedetineerden – slechts 5% van het totaal – hebben andere noden, vaak met een geschiedenis van trauma. Ze hebben vaak specifiekere profielen, terwijl er geen gespecialiseerde hulpverlening is voorzien. Toch is het gevangeniswezen vooral op mannen afgestemd, bv. is de arbeid nog erg traditioneel vrouwelijk met naaiateliers enz. Het zou nuttiger zijn om te differentiëren, geen one-size-fits-all-benadering meer te hanteren en doelgroepgericht te gaan werken.

Oudere gedetineerden vormen ook een groeiende groep, waarvoor er nog weinig aangepaste zorg is. Hun aantal groeit, maar aangepaste zorg staat nog in de kinderschoenen.

Ongeveer 30% van de gedetineerden heeft een verstandelijke beperking. Dan is het eigenlijk betreurenswaardig om vast te stellen dat wij al samenleving geen beter antwoord hebben dan deze personen naar de gevangenis toe te leiden.

Welke vormen van aangepaste opvang bestaan er al?

  • In de nieuwe gevangenis Haren zijn moeder‐kindcellen, waar vrouwelijke gedetineerden samen met hun kind tot de leeftijd van 3 jaar kunnen verblijven. Kinderrechtenorganisaties duiden erop dat die ruimtes eigenlijk niet op een gevangeniscontext mogen lijken, omdat dat nefast zou zijn voor de ontwikkeling van deze kinderen. Dus men probeert daar wel iets te verwezenlijken, maar in de gevangeniscontext is dat toch een hele uitdaging.
  • Er bestaan enkele ‘Afdelingen tot Bescherming van de Maatschappij’ voor geïnterneerden, maar het aantal plaatsen is fors kleiner dan het aantal geïnterneerden – ± 1.000 in totaal. Elke geïnterneerde is er misschien wel één te veel. Zij horen natuurlijk niet thuis in een gevangenis. Die afdelingen zijn vaak ook niet zo specifiek als ze zouden moeten zijn, soms zijn het cellen verdeeld over de gevangenis.
  • In Merksplas en Brugge draaien pilootprojecten voor oudere gedetineerden met medische zorg.

Welke beleidsaanbevelingen doet de CTRG voor deze doelgroepen?

Zorg voor snelle doorstroom van geïnterneerden naar echte psychiatrische ziekenhuizen of forensische centra. Er is een ketenbenadering nodig: het overleg kan beter en het traject is niet altijd even goed op elkaar afgestemd.

Er is ook wel gewoon nood aan bijkomende zorg, infrastructuur en zorginstellingen. Dat geldt niet alleen voor de geïnterneerden, maar voor alle gedetineerden met geestelijke gezondheidsproblemen. In de vrije samenleving zie ik steeds meer mensen die kampen met geestelijke gezondheidsproblemen en hoor ik ook vaak casussen waarbij mensen al lang aankloppen of proberen om hulpverlening te krijgen. Dan mogen we niet verbaasd zijn dat het soms kan mislopen. (Dat is wetenschappelijk benoemd als het Penrose effect: dat beschrijft de omgekeerde relatie tussen de infrastructuur voor geestelijke gezondheidszorg en de gevangenispopulatie.) Iemand die geen toegang vindt tot zorg kan ontsporen en een misdrijf plegen. Een gevangenis verergert zijn of haar toestand. Vaak gaan ze zich in de gevangenis ook wat terugtrekken, wat nefast is voor hun ontwikkeling of de verbetering van hun geestelijke gezondheid. Daarom moet detentie ultimum remedium blijven; eerst moet je kijken of zorgalternatieven mogelijk zijn. Het is dus onze maatschappelijke verantwoordelijkheid om ook in de vrije samenleving op tijd voldoende zorgvoorzieningen en zorg te voorzien.

Wat zijn de grootste obstakels bij re‑integratie?

Detentieplannen die een traject richting vrijlating moeten uitstippelen, blijven vaak dode letter. Ze worden vaak niet opgesteld, omdat de randvoorwaarden ook niet ingevuld zijn: er is een gebrek aan activiteiten, opleidingen en tewerkstelling in de gevangenissen. Bovendien dwingt de overbevolking en het personeelstekort directies tot regimes van 22 uur cel per dag – zonder tijd buiten de cel is er weinig voorbereiding op de terugkeer. Daarnaast zien we dat de drempel voor voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verhoogd. In de beleidsplannen wordt aangekondigd dat men dit wil bemoeilijken. Nochtans is die geleidelijke terugkeer, mét begeleiding, cruciaal om recidive te voorkomen.

Waarom is geleidelijke vrijlating zo belangrijk?

Detentie veroorzaakt detentieschade: de gedetineerde verliest zijn/haar werk, sociale contacten verwateren, financiële inkomsten vallen weg en schulden worden opgebouwd, maar de gevangenis zelf kan ook een schadelijke omgeving zijn. Voorwaardelijke invrijheidstelling laat mensen stap voor stap terugkeren. Justitie-assistenten ondersteunen én controleren de gedetineerde in die geleidelijke terugkeer. Deze re-integratie heeft veel meer kans op succes, dan wanneer iemand tot einde straf gaat.

Welke structurele ingreep is volgens u dringend nodig om detentie humaner te maken?

We pleiten voor een wettelijk maximum per gevangenis en een alarmniveau bij 90 % bezetting. Zodra die drempel bereikt is, moet de onderzoeksrechter bekijken: kan iemand verplaatst, vervroegd vrijgelaten of onder een alternatieve straf geplaatst worden? Zo voorkom je dat kwaliteit onvermijdelijk daalt. Die 90% is een standaard die door de Raad van Europa en het Europees comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) naar voor wordt geschoven. Zij stellen dat wanneer die grens bereikt wordt, er nog heel weinig ruimte is om mensen nog te onderscheiden van elkaar en te differentiëren én humane omstandigheden niet meer kunnen worden gegarandeerd. Zo’n maximumcapaciteit was ook al voorzien in de wet Dupont van 2005, maar is genegeerd.

Bestaat dat systeem al ergens?

Duitsland en bepaalde Nederlandse deelstaten houden hun populatie structureel onder de maximumcapaciteit. Italië beheert de bezetting real‑time via een centraal dashboard. Hun ervaringen bewijzen dat een harde limiet werkbaar is.

Is simpelweg bijbouwen geen oplossing?

Op korte termijn verlicht het druk, maar historisch zien we een aanzuigeffect: meer cellen betekent uiteindelijk meer gedetineerden. Zonder parallelle inspanning in alternatieven, zorg en preventie blijft het dweilen met de kraan open.

Hoe onderbouwt de CTRG zijn rapporten wetenschappelijk?

Bij elk bezoek praten we met alle betrokkenen – gedetineerden, personeel, directie, de psychosociale dienst, zorgpersoneel, medisch personeel, externe partners – om zo te komen tot een genuanceerd beeld. We leggen onze bevindingen naast de standaarden van het CPT en internationale jurisprudentie. We raadplegen academisch onderzoek, vooral uit buurlanden en Scandinavië, en leggen onze data terug voor aan universiteiten.

Kunt u een paar internationale praktijken noemen die België inspireren?

Nederland en Duitsland zetten sterker in op humane detentie gericht op re-integratie en nemen maatregelen om niet tot overbevolking te komen. In Nederland is er een constructief detentieregime, met heel wat uren buiten de cel, waarbij de gedetineerden zich inzetten in zinvolle activiteiten. Noorwegen en Denemarken hebben ook goed gevulde detentieregimes, waarbij veel actoren tot in gevangenissen komen om werk en opleiding te kunnen aanbieden.

Dat uit zich ook in de recidive cijfers: Denemarken heeft een recidive van 20%, Nederland rond de 45%, terwijl in België die recidive tussen 60% en 70% ligt en dus aanzienlijk hoger is. Een recente Rekenhofstudie bevestigt bovendien het succes van elektronisch toezicht: elektronisch toezicht halveert recidive; in Frankrijk recidiveert 13 % onder enkelband tegenover 65 % na een korte celstraf.

In Nederland wordt in het strafwetboek alleen een maximale straf bepaald (in België ook een minimumstraf), waardoor de rechters veel meer vrijheid hebben om meer op maat te werken en ook voor alternatieven te kiezen.

In Italië bestaat een dashboard dat per cel realtime toont of ze vrij, bezet of buiten gebruik is. Dat systeem zou ons toelaten om de gevangeniscapaciteit op te volgen.

Wordt er naar jullie aanbevelingen geluisterd?

Onze rapporten vinden steeds meer ingang in het parlementaire debat. Maar de vertaling naar beleid blijft voorlopig beperkt. Er is dus nog werk aan de winkel.

Gerelateerde artikels