In ‘t kort

  • Dagopvang voor kwetsbare mensen in Hasselt
  • Project van RIMO Limburg van Samenlevingsopbouw
  • Doelgroep: niet alleen dak- en thuislozen, maar alle kwetsbare mensen
  • Sinds 1994 ontstaan als initiatief van buurtbewoners

Een beetje geschiedenis

“In 1994 begon de vzw Vriendschap met ‘Café Anoniem’. Het Café functioneerde toen als buurthuis en draaide volledig op vrijwilligers. Met het huis wilden de initiatiefnemers de sociale cohesie versterken, de mensen uit de buurt samenbrengen. De mensen konden er een kom soep en een stuk taart krijgen, en er waren maaltijden verkrijgbaar aan een voordelige prijs. Onder de bezoekers waren er ook moslims, want tegenover het huis lag een moskee. Bij Café Anoniem kwamen vooral oudere mensen rustig genieten van een kopje koffie.”

“Ik werkte als CAW-coördinator van dak- en thuislozen.” Aan het woord is Heidi Bosselaers, teamcoördinator van Café Anoniem. Ze gaat verder: “Begin jaren 2000 richtten we nachtopvang in, met het centrum Sonar. Naast noodopvang wilden we ook dagopvang aanbieden. Met een netwerk aan hulpverleners zochten we naar een geschikte locatie. De locaties die de Stad Hasselt ons voorstelde, voldeden niet. Zuster Jeanne was lid van Café Anoniem en maakte deel uit van de mensen die samen met ons zochten naar een locatie voor dagopvang. Zij nodigde ons uit om onze daklozen bij Café Anoniem op te vangen.

Wanneer onze dak- en thuislozen dan kwamen, ervaarden de bestaande bezoekers van Café Anoniem dit als een heuse shock. Onze mensen hadden verslavingsproblemen of problemen van psychisch lijden. Dat zorgde soms voor tumult en agressiviteit. We namen een medewerker aan om de vrijwilligers bij te staan. Dat draaide goed op die manier.

Die extra hulp was alleen voorzien tijdens de periode van de winteropvang (begin november tot einde maart). Maar wanneer de winteropvang stopte, bleven de mensen komen naar Café Anoniem. Al het werk kwam op de schouders van de vrijwilligers terecht. Het Café verloor een deel van zijn bezoekers, want ‘de daklozen namen ’t over’. Vriendschap vzw gaf het Café over aan de Stad. Het stadsbestuur trok daarop een sociale partner aan om de werking te evalueren. De opzet werd opnieuw verbreed: niet alleen daklozen, maar alle ‘kwetsbare mensen’ waren welkom.

Ik had ondertussen Hasselt verlaten en ging andere projecten doen met dak- en thuislozen binnen het CAW. Wanneer ik daarna voor Rimo Limburg vzw (Regionaal Instituut voor Maatschappelijk Opbouwwerk, het Limburgse instituut van Samenlevingsopbouw) ging werken, kwam ik uiteindelijk terug bij Café Anoniem terecht. (Lacht)”

Actuele werking

“Café Anoniem is een project, met een dubbele opzet:

  • Versterken van mensen, niet individueel, maar in groep
  • Belangen behartigen van de doelgroep

We krijgen gezonde maaltijden aangeboden via het ziekenhuis, in opdracht van de Stad, opdat mensen bij ons voor 3 euro kunnen komen eten. Mensen vinden bij ons een nette badkamer waar ze zich kunnen douchen, waar ze hun kleren kunnen wassen en drogen of hun spullen veilig kunnen opbergen in een locker. Ze kunnen bij ons ook een partijtje biljart of tafelvoetbal spelen, of kunnen meedoen aan muzische of sportieve activiteiten, terwijl hun gsm veilig ligt op te laden. En bovenal kunnen ze er aankloppen bij een CAW-hulpverlener, een psycholoog of straatverpleegkundige.

Wij luisteren, wij proberen hen te versterken. We gaan zelf projecten aan; zo bijvoorbeeld een muziekproject in samenwerking met B-Classic. Want zo leren mensen naar elkaar luisteren als ze zelf musiceren, ze leren plezier maken en communiceren met elkaar. Wanneer ze dan in het Begijnhof zijn gaan spelen deze zomer, applaudisseerden de omstaanders, zonder te weten dat de groep uit daklozen bestond. De mensen genoten van de waardering die ze er kregen.

Met de COVID-crisis mogen er maar 13 mensen per keer binnen. Ons lokaal leent zich met de maatregelen tot geen grotere capaciteit. We werken nu met een aanwezigheidslijst, zo komen er per dag toch een 20 tot 25-tal mensen over de vloer. Maar het voordeel is dat we meer tijd krijgen om met onze doelgroep bezig te zijn.”

Caritas Hulpbetoon ondersteunt Café Anoniem in deze coronacrisis met slaapzakken en hygiënekits. “Frank (Deloffer, bischoppelijk gedelegeerde voor de diaconie) kwam hier op bezoek en vroeg me wat ik nodig had. Ik wist niet goed wat gezegd. Het overkomt me niet vaak dat mensen me vragen welke hulp ik kan gebruiken. De eerste hulpgoederen zijn allemaal verdeeld. Jullie komen net op tijd om een tweede lading hulpgoederen te verstrekken. (lacht).”

“Onze projecten vloeien vaak voort uit vragen die van de bezoekers zelf komen. Een tijd geleden stelde één van de mannen voor: “’t zou misschien helpen als we zouden kunnen leren om fietsen te herstellen.” Een andere bezoeker bleek hierin ervaring te hebben. Dan is hij begonnen om dit aan te leren aan de anderen. Nu staan er hier een aantal standaarden waarop ze aan hun fietsen werken. In de zomer willen ze groenten beginnen kweken. Er staan hier dus nu ook drie kweekbakken. Ik kijk soms tegen zoveel spullen op, maar aan de andere kant: ze zijn bezig met competenties te ontwikkelen, ze leren elkaar dingen aan. Daar zit een onschatbare waarde in.

Ik werk nauw samen met de Stad Hasselt. Ik vertel er over onze activiteiten. Wanneer de Stad geen daklozen wil, staat daar tegenover dat ze er iets moeten aan doen. Het is hun taak om te zorgen voor de bevolking, ook de daklozen. De Stad geeft ons daarom de opdracht om de daklozen niet louter op te vangen, maar ook te werken aan de ontwikkeling van competenties en te investeren in opleiding. Ik zou daarom ook graag vormingscellen oprichten hier, om opleidingen te organiseren. Maar met COVID-19 staan heel wat projecten on hold. Onze vrijwilligerswerking draait ook op een lager pitje, want heel wat vrijwilligers zijn gepensioneerd en vormen een risicogroep voor het coronavirus.

We werken met een 15-tal vrijwilligers. Een tiental komt wekelijks, de andere sporadisch. Ik wil de vrijwilligerswerking graag uitbreiden en verdiepen. Hier komen vrijwilligers met horeca-ervaring, maar we zoeken ook vrijwilligers die met de mensen willen praten. Onze daklozen zijn vaak mensen met stoornissen. Het kan er soms explosief aan toe gaan. De vrijwilligers blijven graag in de veiligheid van de keuken. Er zijn er maar sommigen die ook een tas koffie komen drinken in de zaal. We investeren daarom in regelmatige intervisies met hen. Maar door COVID-19 ligt ook dat nu stil.

Ik zou graag meer met doelgroepvrijwilligers werken. Soms moet je dan de bluts met de buil nemen: er zijn hier al dingen afgebroken of gestolen. Maar toch is het beter om te werken met een gemengde doelgroep, met een mix van mensen. Niet alleen met daklozen, maar ook met mensen die al wonen. Zo willen we starten met een woongroep. Dan is het belangrijk om niet alleen het verhaal van de daklozen te brengen bij het stadsbestuur, maar ook van mensen die ervaring hebben met wonen: hoe duur het is om te wonen, hoe zwaar het is om maandelijks het huurgeld op te hoesten, hoe moeilijk het is om een woning te vinden.

25 jaar werk ik nu met dak- en thuislozen. Ik ben geboeid door de mensen en hun verhalen. Ik hou van mijn job, anders blijf je dit niet doen. Thuis heb ik een druk gezin met drie kinderen. Ik ben sinds enkele jaren alleenstaand. Ik kan het me niet veroorloven die verhalen mee naar huis te nemen.”

Enkele getuigenissen

“Elk jaar verliezen we 2 à 3 mensen. Maar gelukkig lopen andere verhalen wél positief af. Ik herinner me een jongen, hij was er zwaar aan toe: hij was dakloos, had meerdere verslavingen, hij was al door meer dan één caféruit gevlogen hier in Hasselt. Hij was gekend bij de politie: als hij geen gevangenisstraf had, zat hij wel in de cel. Wanneer hij werd gesignaleerd, stuurde de politie steeds twee combi’s op hem af, één voldeed niet. Het was nochtans maar een kleine kerel (lacht). Ik praatte wel vaker met hem. Al was hij een zware jongen, er was altijd een vorm van respect voor elkaar.

Vier jaar later stond ik bij een beenhouwer aan te schuiven. Ik voelde iemands blik op mijn rug en draaide mij om. ‘Jij herkent mij niet hé’, zei die man. Ik ben sowieso slecht in namen en gezichten, maar nee, ook wanneer hij mij deed herinneren wie hij was, kon ik hem niet meer herkennen. Ik kende hem nog zonder tanden, door zijn verslaving. Hier stond een andere mens. Met zijn vals gebit en propere kledij zag hij er verzorgd uit. ‘Ik was het beu’, vertelde hij, ‘Dit is geen manier van leven. Ik ben beginnen werken’. Dit had hij volledig aan zichzelf te danken. Dit had geen hulpverlener kunnen bereiken. ‘Ik heb u steeds gemogen’, zei hij, ‘maar ik hoop dat ik u nooit meer hoef te zien’.

Joris* zag ik ook na jaren terug. Hij vertelde me dat ik hem wakker had geschud. ‘Jij hebt me ooit op een stoel gezet en gezegd: ‘Wat ga je doen: junkie blijven, of eindelijk iets doen met jouw leven?’. Joris heeft nu dak boven zijn hoofd, het gaat niet altijd even goed, want hij heeft hersenbeschadiging opgelopen door zijn verslaving, maar hij wordt geholpen, hij wordt nu omringd.

Ik leef mee op het ritme van de mensen. Ik kom wel vaker mensen tegen die ik al eerder heb gekend. Sommigen van hen herkennen mij niet meer, door hun jarenlange verslaving. De dood is ook nooit veraf. Mensen met een verslaving, die sterven al eens.

Jack* leerde ik kennen in 2005. Hij had weinig kansen gekregen. Zijn moeder was vroeg gestorven, zijn vader was een gekende dealer in Hasselt; hij ging in en uit de gevangenis. De basis om een stabiel leven te kennen, ontbrak voor Jack. Het gevolg: Jack sukkelde in een verslaving, begon zelf te dealen, werd dakloos. Ik had veel gesprekken met hem, als jonge gast. Mijn boodschap was: ‘Jij maakt de keuze voor jouw leven’. Het baatte niet. Hij had de ene gevangenisstraf na de andere, stak veel uit. Afgelopen winter stierf hij aan een overdosis. Ik had nochtans het gevoel dat hij net iets van zijn leven wilde maken. Zijn voorval heeft mij geraakt. Ik heb steeds mooie, waardevolle gesprekken met hem gehad. Ik weet niet of zijn overdosis bewust was, dan wel een ongeluk. Eigenlijk heeft hij de geschiedenis van zijn vader herhaald.

Ik kende een koppel in de opvang. Fanny* kwam hier zwanger toe, Maurice* was dokwerker. Fanny was erg sluw: ze speelde de hulpverleners uit om haar goesting te krijgen van haar man. Ze had hem verteld dat ze van mij haar medicijnen voor haar zwangerschap niet kreeg. Daarop drukte Maurice me aan mijn keel tegen de muur. Ik weet nog dat ik meer dacht aan de list die Fanny had bedacht, dan aan de hachelijke situatie waarin ik me op dat moment bevond. Ik herhaalde hem: ‘Waarom zou ik zoiets doen?’. Daarop liet hij me los en excuseerde zich bij mij. Fanny en Maurice kregen wel vijf kinderen. Elk van de kinderen werd nochtans systematisch geplaatst. Allemaal zijn ze ter adoptie gegeven. Zij raakte verslaafd en stierf aan een overdosis, drie jaar na de geboorte van haar jongste kind. Hij pleegde niet veel later zelfmoord. Fanny en Maurice waren enorm verhangen aan elkaar. We noemden hen ‘Sid en Nancy’ (naar een film uit 1986). Ze haalden elkaar volledig naar beneden. Ze konden samen niets positiefs doen.

Fons* is één van onze vrijwilligers. Hij komt uit de doelgroep; hij was dakloos. Hij heeft een woonst gevonden, maar hij blijft hier als vrijwilliger komen. Hij had werk, maar is het weer verloren. Hij is momenteel op zoek naar vast werk. Hij blijft vrijwilligerswerk doen, en wij hopen hem daardoor vast te kunnen houden. We zien dat een persoon soms een groot gewin is. Het gaat daarom niet altijd om een hulpverlener. Voor Fons is dat zijn moeder. Hij kan niet bij haar gaan wonen, want zij woont sociaal en mag niemand bij in huis nemen.

Sommigen hier hebben een woning gevonden. Hen zien we dan niet meer terug. Maar dat is goed.

Nathalie* kwam hier binnen met haar twee kinderen na het verbreken van haar relatie. Het was een relatie van mishandeling en misbruik. Ze koos ervoor om haar kinderen er niet langer aan bloot te stellen. Nathalie kwam uit goede huize. Ze had een licentiaatsdiploma. Jammer genoeg had ze een voorliefde voor foute jongens. Haar man, Luk*, dwong haar in de prostitutie. Ze werd door haar man, Luk, verkocht aan mensen uit het milieu. Zij was heel erg gezakt naar de rand van de maatschappij. Ze had geen contact meer met haar familie. Ik weet niet wie met wie gebroken had. Het kostte veel moeite uit deze situatie te geraken. Heel typisch bij mishandelde vrouwen, is dat we zien dat zij zelf in hun situatie kunnen blijven zitten, maar dat zij, van zodra er aan de kinderen wordt geraakt, actie ondernemen. Zo was het ook bij Nathalie. Zij kwam hier erg getraumatiseerd toe. Als beroepskundige ben je het wel gewend dat je soms achterover moet leunen om de verhalen te kunnen aanhoren, maar haar verhaal was zó zwaar. Ze had bovendien veel nood om haar verhaal te kúnnen vertellen. Het vertellen was zwaar voor mij, maar herstellend voor haar. Ze was steeds aan het wenen, maar tegelijk was ze ongelooflijk sterk.
Ze voedde de kinderen met heel veel liefde op. Nathalie heeft een jaar tijd nodig gehad hier in de opvang. Ze kon een kleine opleiding gaan volgen, beginnen werken. Het jaar daarna had ze een erg goede job beet en kreeg ze haar leven weer op de rails.
Een paar jaar later keerde ze terug naar de opvang, op bezoek. Ze was ondertussen gelukkig getrouwd. Ik heb me dikwijls afgevraagd hoe we haar weer recht konden krijgen. We hebben ervoor gezorgd dat er terug contacten waren met haar familie. Want die familie blijft toch de wieg. Het gaat niet om arme of rijke afkomst, maar wel om hechting en binding. Als die wieg nog ontvankelijk is voor iemand, dan moet je hen verzoenen. Toen zagen we de intrinsieke schoonheid van die vrouw toch terugkeren. Dat heb ik ervaren als een mirakel.

De wieg is belangrijk, de opleiding ook. Maar toch loopt het dan ook anders uit dan verwacht. Pierre*, een geestige man, was dakloos en verslaafd. Op een keer liet ik de dokter komen, want hij was ziek. Na enkele tellen kwam hij weer uit de kamer waar de dokter zat. ‘Ik kan onmogelijk hierbinnen gaan, want er zit een studiegenoot van mij’, zei hij. Ik verstond het eerst niet: een studiegenoot? Maar jawel, Pierre verduidelijkte me dat ook hij arts was. Hij heeft nu een woning gevonden, maar leeft erg teruggetrokken met zijn boeken. Hij leidt een kluizenaarsbestaan.

Mijn boodschap aan onze vrijwilligers en medewerkers is steeds: ‘Ga op zoek naar de mens’. Het leven op straat in Hasselt is erg hard. Ik durf te beweren dat de situatie in Hasselt te vergelijken is met deze in Brussel. Daklozen hebben hier steeds een wapen (een mes) op zak, om zichzelf te beschermen. De meeste daklozen zijn mensen met een verslaving en/of psychische problemen. Ze steken veel uit. Er zijn mensen die me het bloed van onder mijn nagels uithalen. Maar het is de kunst hun kwetsbaarheid te blijven zien. Ik laat wel niet met me sollen, ik sta op mijn strepen. Als iemand te agressief is, is hij/zij die dag (of twee dagen) niet meer welkom. De mensen respecteren dit consequent gedrag. Respect moet er zijn. Dat is ook waar ik op terugplooi. Dan neem ik het gedrag van mezelf en de vrijwilligers als voorbeeld en vraag ik hen om een wederzijds respect."

* Fictieve naam
Foto's: RIMO Limburg

ContactCafé Anoniem

Café Anoniem
Mouterijstraat 6-8
3500 Hasselt
T +32 (0)11 270694
https://www.rimo.be/project/cafe-anoniem/
Contactpersoon: Heidi Bosselaers